Experimentele Woningbouw op de kaart

Experimentele woningbouw? Jazeker, ondanks de schijn van het tegendeel staat Nederland namelijk vol met zogenaamde “Experimentele Woningbouw”. Nee, die aanhalingstekens duiden niet op ironie of ander waardeoordeel, maar op een citaat. In 1968 stelde de minister van VRO(nog geen M) wetgeving in die tot doel had “de verhoging van het woningpeil in het bijzonder voor wat betreft de woonvormen en de woonomgeving” en “woonvormen en woningtypen welke in enig opzicht afwijken van de gebruikelijke vormen, waarbij die afwijking de belofte inhoud dat daarmee voldaan zal worden aan bepaalde woonbehoefte of andere desiderata, welke in het normale kader onvoldoende tot hun recht komen.” WAT!? Ja, het waren ambtenaren die dat plan opstelden, dan kun je zulk soort taal verwachten. Waar het uiteindelijk op neerkwam was dat er de “Adviescommissie Experimentele Woningbouw” ingesteld werd. Van 1968 t/m 1977 beoordeelde  deze commissie aangedragen woningbouwplannen op kwaliteiten die op dat moment belangrijk geacht werden; hoogwaardige woonomgeving, vernieuwende woonvormen, betaalbare hoogwaardige sociale woningbouw en bouwtechnieken die variatie bevorderden. Wanneer een project experimenteel bevonden werd kreeg het het predikaat “Experimenteel Woningbouwproject” en kon het meedelen uit een subsidiepot om “aanvangsweerstanden te overwinnen”. Het zijn deze projecten die ik verzameld heb en die hier nu op de kaart staan.

Die experimentele gebouwen staan blijkbaar door het hele land, min of meer gefocust in toenmalige groeikernen. Het grootste deel gaat alleen onopgemerkt aan je voorbij, slechts een aantal projecten ogen werkelijk experimenteel. Althans, dat is denk ik nu het geval. Nu staat Nederland vol met soortgelijke buurten en rij je daar zelfs het liefst met een grote boog omheen (alhoewel dat planologisch meestal juist de bedoeling was), maar toen was het de tijd dat stadsuitbreidingen volgens de ideeën van het Nieuwe Bouwen en CIAM als paddenstoelen uit de grond schoten. Met het uitrollen van die eindeloze hoeveelheid hoogbouwflats en sobere rijtjeshuizen zwelde echter ook de kritiek daar op aan. Variatie en de menselijke maat moesten de oplossing vormen voor een aangename leefomgeving. Het feit dat er wetgeving en subsidie voor experimenten in die richting ingesteld werden, moet toch op zijn minst op een maatschappelijk draagvlak duiden. Grappig, want voor diezelfde wijken halen we nu dus onze neus op. Maar die eerste nieuwe kleinschaligheid moet toch wel een goede indruk nagelaten hebben, want in het hele land hebben de wijken van de jaren ’70 die typische kleinschalige structuur. Eigenlijk vind ik ook dat we in zekere zin het succes van dit soort wijken moet erkennen, de meeste doen gewoon wat ze moesten doen; niet te duur en niet te goedkoop en niet gebouwd voor de schoonheid maar voor de leefomgeving en de meeste van deze wijken hebben zeker een vriendelijker woonmilieu dan de buurten met functionalistische strokenbouw die daarvoor in de mode waren. Ik kan bovendien geen voorbeeld uit de experimenteel bevonden wijken opnoemen dat in een getto vervallen is, dit in tegenstelling tot het beruchte experiment in de Bijlmermeer.

Om het succes van het programma te tonen werd er vaak met trots verwezen naar de Kubuswoningen en Kasbah van Piet Blom die dankzij de subsidie gebouwd konden worden. Dat zijn dan ook echt experimenten, zowel in bouwwijze en vormgeving als in woonvorm. Het gros van de projecten was echter wel iets verbijzonderd, maar om het experimenteel te noemen is twijfelachtig. En die subsidie hielp natuurlijk wel bij de realisatie, toch werden er genoeg soortgelijke projecten gebouwd buiten het programma om. Er zijn zelfs volledige satellietsteden met soortgelijke kwaliteiten uit de grond gestampt, zoals Zoetermeer en Almere. De evaluatie van Wim J. v. Heuvel uit 1976 is dan ook behoorlijk kritisch op de commissie. En dan die gewenste variatie, dat draaide veelal uit op een soort complexiteit die we uit het structuralisme kennen en waarbinnen alsnog repeterende bouwblokken stonden. Dergelijke bloemkoolwijken kregen daarom ook toen al kritiek over de ´monotonie van de variatie’. Het einde van die periode werd ingeluid door de schrijfsels uit ’77-’79 van Carel Weeber (toen hoogleraar in Delft) waardoor die periode nu als de ‘nieuwe truttigheid’ bekend staat. Ik vraag me dus nog steeds af of deze weldegelijk typisch Nederlandse bouwvormen alleen hier konden plaatsvinden doordat het programma als katalysator diende, of dat het toch gewoon de tijdsgeest i.c.m. de al bestaande Nederlandse bouwwereld was. Ik kan moeilijk controleren of het programma zijn doel gediend heeft.

Wat zien we allemaal bij die projecten?

Zoals in de vorige alinea reeds vermeld, veel wijken met repeterende bouwblokken. Maar niet zomaar repeterende bouwblokken. Nee, repeterende bouwblokken met geschakelde woningen, verspringingen en hoekjes. En de schuine lijn is terug van weg geweest. Niet zomaar willekeurig schuin, maar een structuralistisch verantwoorde 45° schuinte. Het was dus ook weer verantwoord om het schuine dak te herintroduceren, zonder van historisme beticht te worden. De bouwblokken zijn bij voorkeur gegroepeerd rond hofjes of wegen met verspringingen zodat er clusters ontstaan. Naarmate de wijk groter is, kunnen deze clusters vervolgens ook weer repeterend geschakeld worden, zodat het bloemkoolpatroon ontstaat. Binnen deze schakelingen zit vaak restruimte, ruimte die ingevuld kan worden met groen- en/of speelvoorziening en parkeerplaatsen. Slim, want beplanting verhult vriendelijk het repeterende karakter van de wijk. Het verspringende karakter geeft ook de gelegenheid het verkeer af te remmen en er eventueel een woonerf van te maken. Verkeer wordt dan vaak gescheiden via ‘dreven’ of ‘singels’ afgehandeld.

Ook valt op hoe er bij verschillende projecten met niveaus gewerkt wordt. Met name in de complexen met niet grondgebonden woningen worden de opgangen, trappen en balustrades benadrukt en er zijn meerdere terrasflats. Autovrije straten vormen ook vaak deel uit van plannen, maar deze komen dus ook voor als verhoogde wandelgalerijen boven het maaiveld (‘woondekken’ Assen), eventueel met onderliggende parkeergarage (stadsvernieuwing Broek&Bakema, Arnhem). Aan enkele illustraties is te zien dat de architect dit graag zag als een levendige en kindvriendelijke plaatsen waar mensen elkaar ontmoeten en hangend uit het raam een praatje met de bovenburen maken. Eigenlijk volgens het ´streets in the sky´idee van Corbusier, maar dan toegepast in niet-Bijlmerachtige bebouwing. Er bestond in die tijd ook een hernieuwde interesse voor binnensteden als diverse compacte woonmilieus, dus wellicht hadden ze in gedachte dat wanneer je sociale woningbouw maar dicht genoeg op elkaar bouwt dat je dan een soort gestapelde Jordaan krijgt. Een dergelijk ruimtegebruik werd bij enkelen expliciet als ‘experimenteel element’ beoordeeld. Ik ken helaas geen bestaand project dat zijn belofte echt waargemaakt heeft, het zijn nu toch veelal desolate plekken waar met de boodschappentas naar de etagewoning gesjokt wordt. Ook binnen in de woningen, zoekt men het soms in de verticale organisatie, zo wordt split-level door de commissie nadrukkelijk als ruimtelijke kwaliteit genoemd. Hoewel het niet bij deze genoemde projecten voorkomt zal het toch geen toeval zijn dat dit ook de periode is dat de zitkuil uitgevonden is. Diversiteit in woningtype, -grootte en -indeling zodat de projecten voor meerdere bevolkingsgroepen aantrekkelijk zijn wordt ook gewaardeerd.

Het meest gebruikte gevelmateriaal is baksteen, maar er zijn her en der ook beton- en houtelementen gebruikt. Grote glasvlakken en metaal zoals we dat van het modernisme kennen is eigenlijk nergens te zien. Hoewel Weeber van de nieuwe truttigheid sprak, wordt het echter nergens traditionalistisch op een manier zoals we dat tegenwoordig kennen (behalve dan in Woerden). Waar het naar traditioneel neigt is het veel eerder het overnemen van een silhouet, zonder detaillering over te nemen. Onderhuids betreft het veelal beton giet- en systeembouw. Daar hadden de grote aannemers na de oorlog vol op ingezet, en daarmee vormden ze een efficiënte eenheid met de rechtlijnige wederopbouwarchitectuur. De gewenste nieuwe variatie betekende dus onherroepelijk meerkosten, de subsidie om “aanvangsweerstanden te overwinnen” was o.a. hier voor bedoeld. Tenminste, wanneer het een innovatieve techniek betrof die nadien, zonder subsidie navolging kon krijgen. Dit resulteerde in projecten waar bij een standaardwoning meerdere schakelingen en daarmee een gevarieerde bouwblokken mogelijk maken (Eindhoven Geestenberg, Emmen), woningen met veel indelingsmogelijkheden (flatwoningen Utrecht Overvecht), een casco bouwsysteem dat veel variatie toelaat (SAR-projecten in Lunetten en Molenviet), woningen die achteraf uitgebreid kunnen worden (Gouda, Geleen), of een bijzondere woonvorm die achteraf de mogelijkheid biedt de samenstelling van de wooneenheden te veranderen (Centraal Wonen Rotterdam).

Commissie en criteria

De commissie was samengesteld uit stedebouwkundigen, (binnenhuis)architecten, beheerders, beleggers, bouwondernemers en consumentenadviseurs. En zij werden bijgestaan door een ‘ambtelijke werkgroep die. De ingediende plannen moesten minstens uitgewerkt schetsontwerp zijn en er moest aangegeven worden welke elementen van de woning, woonvorm en/of woonomgeving door de planmakers als experimenteel werden beschouwd, samen met een raming van de stichtingskosten met vermelding van eventuele meerkosten van door de experimentele elementen (max. f3500,- per woning). De commissie beoordeelde of het om werkelijk experimentele elementen ging die nog niet of onvoldoende voorkwamen. Voorwaarde was ook dat de experimenten aanleiding moesten zijn voor navolging zonder subsidie.

Bij de meeste van de plaatsmarkeringen heb ik een korte begeleidende tekst geschreven met daarin een aantal punten die de commissie aangaf als reden om het predicaat ‘experimenteel’ toe te kennen. Deze tekst zal ongetwijfeld vol met typefouten en halve en kromme zinnen staan. Vergeef het me, het is onder tijdsdruk gemaakt m.b.v. een aantal documenten van het NAI. En het NAI leent hun boeken niet uit, dus het moest daar gemaakt worden. Bij een aantal staat ook een aantal kritiekpunten uit een evaluatie van gerealiseerde projecten uit 1976, en bij sommige staan een paar dingen die me opvielen op Streetview. Het gebruik van Streetview is zeker aan te bevelen omdat je dan pas het echte woonmilieu ziet en de mate waarin de gebouwen de tand des tijds hebben doorstaan. Gewoon satellietbeelden kijken is echter ook niet verkeerd, omdat het leuk is om de typische lay-out van straten, groen en bouwblokken te vergelijken.

 

Niet compleet!

Een verzameling is nou eenmaal niet compleet tot ´ie compleet is. Ik heb nu 60 projecten verzameld en volgens een bron (p.15) zijn er in die tijd van 200 ingediende plannen 70 experimenteel verklaard. Door de documentatie die ik ter beschikking had denk ik dat deze projecten uit de eerste helft van het programma zijn, omdat ik er vrij zeker van ben dat ik de laatste helft compleet heb. Tegelijk is ook dat gek, want vanuit meerdere bronnen, (zelfs archipedia) blijkt dat de Bolwoningenwijk in Den Bosch de laatste wijk was die subsidie kreeg uit het fonds en deze wijk komt niet voor in de documenten die ik had. Is dat omdat het de laatste was en daardoor om een of andere reden als enige buiten de lijst valt? Of mis ik nog een hele periode? Dat laatste geloof ik niet omdat het programma toen opgeheven was. Wie het weet mag het zeggen.

Dat gezegd hebbende. Het fonds en de daarmee samenhangende wijken was niet de enige organisatie die zich bezig hield met nieuwe woonvormen. Zo was er (en is er nog steeds) ‘Centraal Wonen‘ een vereniging die zich bezighoudt met samenwoonvormen. En er was ‘Stichting Nieuwe Woonvormen’. Ook is er nog steeds Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting.

 

Literatuur

Boek: Experimentele Woningbouw, verkenning van gerealiseerde projecten, van Wim J.van Heuvel, uit 1976. Dit is een interessant boek omdat het 28 gerealiseerde projecten bespreekt en kijk of ze hun beloftes waargemaakt hebben, ook levert het kritiek op de beoordelingen van de commissie die de predicaten toekende. Omdat het uit 1976 is kijkt v. Heuvel nog steeds met de bril van die tijd, dus ook dat geeft het boek een leuk extraatje.

Documentatie: Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke ordening, Woningbouw Documentatie. Dit is een map met projectbladen, elk project heeft een blad met uitgebreide omschrijving en tekeningen. Het staat in het depot van de bibliotheek van het NAI.

Documentatie: Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, ontwerpen met predikaat ‘experimenteel’ 1975-1976. (serie a nr3), isbn 9012028027  Plaats: NAI depot.

Documentatie: Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, ontwerpen met predikaat ‘experimenteel’ 1977-1979. (serie a nr4), isbn 9012033888  Plaats: NAI depot.

Share
Posted: July 30th, 2013
Categories: Architectuur, Kaarten: GoogleMaps, -Earth, Bing, Overig
Tags:
Comments: No Comments.